TELERAD : het radiologisch toezichtsysteem van het FANC
| Index |
|
|
Inleiding
Naar aanleiding van het lozingsincident in de installaties van het IRE werd de indruk gewekt dat het TELERAD-meetnet slechts in staat zou zijn om omvangrijke radioactieve lekken op te sporen afkomstig van de nucleaire installaties. Een geringe lozing, zoals deze van radioactief jodium bij het IRE, werd immers niet door het meetnet ‘opgemerkt'. Het vertrouwen in de werking van dit meetnet is blijkbaar aangetast.
Kan TELERAD radioactief jodium meten?
Zal een lek in een kerncentrale ook onopgemerkt blijven?
Dient TELERAD eigenlijk wel tot iets?
Het FANC wil ongenuanceerde veralgemeningen de wereld uit helpen en verduidelijkt de werking van het TELERAD-netwerk.
Het ene radioactieve lek is het andere niet
Het Telerad-meetnet is specifiek ontworpen om radioactieve lozingen te ontwaren die kunnen vrijkomen bij typische ongevallen uit de kernindustrie. Het betreft hier dus incidenten en ongelukken waarbij bestraalde splijtstof is betrokken. Bij zulke voorvallen zal een cocktail van verschillende radioactieve stoffen vrijkomen in het leefmilieu. Met andere woorden, naast o.a. radioactief jodium, zullen ook tal van andere radioactieve stoffen vrijkomen, waaronder bijvoorbeeld radioactief xenongas.
Om een dergelijk lozingsongeval te ontwaren, volstaat het dan ook om de straling uitgezonden door één of meerdere van de karakteristieke radioactieve stoffen (de meetstations meten de dosis veroorzaakt door de uitgestoten radioactieve stoffen) uit deze cocktail op te sporen. De Telerad-meetstations zijn dan ook niet gericht op het detecteren van 1 welbepaald ‘radio-element', maar zijn eerder ontworpen om een zo breed mogelijk gamma van ‘radionucliden' te detecteren en dit bovendien in steeds wisselende atmosferische omstandigheden.
Installaties waar pas bestraalde uraniumsplijtstof aanwezig is, gemanipuleerd of bewerkt wordt, zijn:
- de kerncentrales voor elektriciteitsproductie, zoals deze te Doel, Tihange of Chooz (Fr);
- de kernreactoren voor wetenschappelijk onderzoek, zoals deze van het SCK?CEN te Mol-Dessel;
- de installaties voor het afscheiden van medische radio-isotopen uit bestraald uranium, zoals het IRE te Fleurus.
Rond al deze sites en in de directe omgeving ervan, staan Telerad-meetstations opgesteld. Deze zullen een eventuele lozing van een cocktail van radioactieve stoffen onmiddellijk in de gaten krijgen, omdat ze vrij gevoelig zijn voor de straling afkomstig van een aantal van de aanwezige radioactieve elementen, zoals het radioactieve xenon. Ook lozingen die vanuit het buitenland ons land komen binnenwaaien worden opgespoord, door meetbakens die verspreid staan langsheen de grenzen en over het ganse grondgebied.
De Telerad-meetbakens werden dan ook niet specifiek ontworpen voor de opsporing van andere types van radioactieve lozingen, bijvoorbeeld afkomstig van de universiteiten of de ziekenhuizen. Dit betekent evenwel niet dat ze deze lozingen niet zullen opmerken, maar wel dat ze er mogelijk minder gevoelig voor zijn.
Waarom werd de jodiumlozing bij het IRE niet opgemerkt?
De lozing bij het IRE eind augustus 2008 bestond niet uit een cocktail van radioactieve elementen, maar uitsluitend uit jodium-131. De concentratie aan jodium was te laag om de detectiedrempel van de toestellen te overschrijden. Met andere woorden, de rechtstreekse dosis ter hoogte van de meetstations was te laag opdat de TELERAD-meetstations iets zouden kunnen opmerken.
Mocht het lozingsincident zich hebben voorgedaan tijdens de productie van de radioisotopen, via de chemische bewerking van recent bestraalde uranium, zouden de TELERAD-meetstations de lozing wel hebben opgepikt.
Uit het feit dat de TELERAD-meetstations de recente lozing bij het IRE niet hebben opgepikt, mag dus niet automatisch worden besloten dat alle lozingen onopgemerkt zullen blijven of dat het netwerk niet werkt.
Bovendien is de jodiumlozing bij het IRE een lozing geweest waarbij de radioactiviteit werd uitgestoten over een langere periode (3 à 4 dagen). Hierdoor wordt de totale uitstoot verdeeld in de tijd en blijft de ogenblikkelijke concentratie van radioactieve stoffen in de lucht rondom de meetstations lager dan wanneer dezelfde radioactiviteit zou uitgestoten worden in 1 keer.
We kunnen dus gerust stellen dat de ene lozing de andere niet is.
Ook de weersomstandigheden kunnen soms parten spelen
Opdat een lozing van radioactieve stoffen in de lucht zou worden opgemerkt door de Telerad-meetnet, moet de straling van de besmette lucht in voldoende mate invallen op de meetstations die op de grond staan opgesteld. De windrichting en de weersomstandigheden spelen daarbij een cruciale rol.
Bij zeer helder weer kan de radioactieve wolk op grote hoogte afdrijven, langzamerhand verdunnen en oplossen. De kans dat de straling van de besmette lucht op deze wijze het meetstation bereiken is dus beperkt. Aangezien de cocktail van radioactieve stoffen ook sterk penetrerende straling uitzendt, kan deze toch nog op gemiddelde hoogte gedetecteerd worden. Voor een lozing die echter enkel jodium-131 bevat, dat weinig penetrerende straling uitzendt, kan een detectie dus niet onder alle omstandigheden gewaarborgd worden.
Bij regenweer slaan de radioactieve stoffen neer en veroorzaken een besmetting van de bodem, inclusief van het meetstation. Hierdoor wordt het dan weer gemakkelijker om weinig penetrerende straling op te sporen. De radioactiviteit die door de regen op een bepaalde plaats is neergeslagen kan echter niet meer worden opgepikt door de meetstations die verderop staan.
Kan een uitstoot van jodium-131 dan wel gedetecteerd worden?
Voor de detectie van een uitstoot van enkel I-131 bestaan binnen het Telerad-netwerk 2 mogelijkheden.
Bij een grote lozing, die onmiddellijk directe beschermingsmaatregelen voor de bevolking vereist, zal de detectielimiet van de meetbakens overschreden worden, zodat de lozing zal opgemerkt worden en de nodige beschermingsmaatregelen kunnen genomen worden.
Voor kleinere lozingen bestaan binnen Telerad enkele gespecialiseerde meetstations. Hun detectieprincipe is niet gebaseerd op een meting van de dosis die door een eventuele radioactieve wolk veroorzaakt wordt, maar op een meting van de besmetting van de lucht. De gevoeligheid van deze speciale meetstations is uiteraard veel groter, maar ze vertonen één belangrijk nadeel voor de overwaking van het grondgebied: ze moeten rechtstreeks de besmette lucht kunnen aanzuigen om instaat te zijn om de besmetting op te merken.
Telerad beschikt over 7 van deze gespecialiseerde meetstations verdeeld over het grondgebied, waarvan 1 is opgesteld op de nucleaire site te Fleurus. Ook dit meetbaken is niet bij machte geweest om de jodiumlozing vanuit het IRE eind augustus 2008 te detecteren aangezien de wind de radioactieve wolk niet over het meetstation heeft geblazen.
Uiteindelijk bestaat er nog een laatste manier om de uitstoot van jodium op te sporen, namelijk aan de hand van een emissiemeting in de schoorsteen van de installatie. Dit vergt echter een ingreep in de nucleaire installatie zelf en geeft ook aanleiding tot meetresultaten die niet rechtstreeks in verband staan tot een eventueel risico voor de bevolking. In het oorspronkelijk ontwerp van het Telerad-netwerk werden dergelijke emissiemetingen expliciet voorzien. Omwille van problemen met de specifieke verantwoordelijkheden van de exploitant en de toezichthoudende overheid, besliste de politieke overheid eind jaren tachtig om het emissiegedeelte van Telerad niet te implementeren.
TELERAD is niet louter een alarmsysteem
Het Telerad-meetnet is niet alleen bedoeld om alarm te slaan bij lozingen uit nucleaire installaties. De meetstations zijn in staat om ook de ioniserende straling te meten die van nature in het leefmilieu aanwezig is. Aan de hand van deze metingen stelt het FANC trouwens kaarten op met de geografische spreiding van de gemiddelde natuurlijke radioactiviteit in ons land, die vooral bepaald wordt door de aard van de ondergrond. Radon bijvoorbeeld is een natuurlijk radioactief gas. Bij hevige regenval kunnen de meetstations van Telerad in alarm gaan wegens de verhoogde aanwezigheid van radon. Ook bewegingen van radioactief materiaal op een nucleaire site geven in bepaalde omstandigheden aanleiding tot significante verhogingen op de meetstations in de onmiddellijke omgeving van de nucleaire sites.
Het is ook belangrijk te onderlijnen dat er a priori geen verband bestaat tussen de detectiemogelijkheden van het meetnetwerk en het niveau op de INES dat aan gebeurtenissen in nucleaire installaties wordt toegekend. Zoals hierboven duidelijk aangehaald is Telerad in staat om gebeurtenissen te detecteren waarop de INES niet eens van toepassing is (natuurlijke straling, radon, normale bewegingen van radioactief materiaal). Anderzijds bestaan er ongevallen, zoals het bestralingsongeval bij Sterigenics (INES 4), waarbij geen enkele lozing van radioactief materiaal optreedt en die dan ook niet zullen opgemerkt worden door Telerad.


Terug naar boven
