De reglementering van de ingedeelde inrichtingen
| Index |
|
|
Inleiding
De verschillende inrichtingen, waar radioactieve stoffen in het bezit gehouden worden of waar toestellen gebruikt worden die ioniserende stralingen kunnen voortbrengen, worden in klassen ingedeeld.
De indeling is gebaseerd op de grootte van het potentiële risico dat de exploitatie van de betrokken inrichting vertegenwoordigt. Hierbij wordt onder andere rekening gehouden met de hoeveelheden radioactieve stoffen die in bezit gehouden worden, evenals met de voorkomende blootstellingniveaus.
Klasse IV
Het betreft hier inrichtingen waarin stoffen of toestellen gebruikt worden waarbij de stralingsintensiteit gering is en waarbij zich dus geen bijzondere problemen qua stralingsbescherming voordoen.
Bepaalde toestellen kunnen door het Agentschap in deze klasse ingedeeld worden, na goedkeuring van het "type van toestel". De strikte voorwaarden waaraan de toestellen moeten voldoen worden in het ARBIS beschreven. De hoeveelheden die in deze klasse aangewend mogen worden, zijn voor elk nuclide in bijlage IA van het ARBIS 2001 bepaald.
Klasse III
Deze klasse bevat onder andere de radiologische (medische of industriële) toestellen evenals de bronnen die in de klassieke industrie gebruikt worden in het kader van onder andere dichtheids- of diktemetingen evenals bij bepaalde analyses.
Hoewel het stralingsrisico gering is, dienen deze installaties door de overheid geïnventariseerd te worden teneinde de nodige opvolging te kunnen verzekeren.
Klasse II
Ze bestaat uit de installaties waar grotere hoeveelheden radioactieve stoffen aangewend worden en/of waar hogere blootstellingsniveaus mogelijk zijn.
Radiotherapie, nucleaire geneeskunde en bepaalde wetenschappelijke onderzoekscentra behoren tot deze klasse.
Klasse I
Het gaat om de inrichtingen waar het risico het hoogste is. Oorspronkelijk bestond die klasse enkel uit de inrichtingen waar een kriticiteitrisico bestond. Het betrof hier de inrichtingen waar belangrijke hoeveelheden splijtstoffen verwerkt werden, in het bijzonder nucleaire reactoren.
Deze klasse omvat tegenwoordig eveneens de bergingsplaatsen voor radioactief afval.
Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden
Deze klasse werd recentelijk ingevoerd. Ze omvat de beroepsactiviteiten waarvoor de blootstellingen aan natuurlijke stralingsbronnen niet te waarlozen zijn vanuit het oogpunt van de stralingsbescherming.
Zo dienen bijvoorbeeld de nodige maatregelen genomen te worden om:
- een te hoge radonconcentratie te vermijden op bepaalde plaatsen (bijvoorbeeld in mijnen);
- het luchtvaartpersoneel te beschermen tegen een te hoge blootstelling aan de kosmische straling ;
- het radioactiviteitsniveau in bepaalde industrieën te controleren zoals bijvoorbeeld bij de productie van fosfaten, de fabricatie van bepaalde lasnaalden.
De indeling in klassen wordt beschreven in de artikelen 3 en 4 van het ARBIS van 20 juli 2001.
Vergunningsprocedures voor de ingedeelde inrichtingen
Inleiding
Een belangrijke wijziging betreft de inrichtingen van klasse I, waarvoor de vergunning thans opgesplitst wordt in twee deelvergunningen:
- een oprichtings- en exploitatievergunning die de exploitant het recht geeft de installatie te bouwen.Ze wordt door de bevoegde overheid verleend na beoordeling van het aanvraagdossier, waarvan de inhoud in het ARBIS nauwkeurig beschreven wordt.
- een bevestiging van de oprichtings en exploitatievergunning die het binnenbrengen van radioactieve stoffen in de installatie en de indienststelling vergunt. Deze vergunning wordt verleend door de overheid die de eerste vergunning verleend heeft, en dit na het bezoek van de afgevaardigden van het Agentschap (evenals de erkende instellingen). Deze laatsten zien erop toe dat de wetgeving nageleefd wordt en dat aan de in de vergunning opgenomen bijkomende voorwaarden voldaan wordt.
Klasse IV
Aangezien deze inrichtingen alleen maar beperkte hoeveelheden radioactieve stoffen aanwenden en/of toestellen bevatten waarbij de blootstellingsniveau's gering zijn, worden de inrichtingen die tot deze klasse behoren, van vergunning vrijgesteld.
Klasse III
De inrichtingen die tot deze klasse behoren maken het voorwerp uit van een oprichtings- en exploitatie-vergunning die door het Agentschap verleend wordt (artikel 8).
Klasse II
Deze klasse wordt in twee categorieën onderverdeeld. Tot de eerste categorie behoren inrichtingen waar beperkte hoeveelheden radioactieve stoffen aangewend worden. In dit geval vraagt het Agentschap, vóór de verlening van de vergunning, advies aan het (of de) Schepencollege(s) van de gemeente(n) gelegen in een straal van 100 meter rond de betrokken inrichting (artikel 7.3.1).
Tot de tweede categorie behoren de inrichtingen waar grotere hoeveelheden radioactieve stoffen aangewend worden. In dit geval kan een milieu-effectbeoordeling geëist worden, waarvan de inhoud conform dient te zijn aan de bepalingen van de Europese aanbevelingen terzake. Vóór het verlenen van de vergunning vraagt het Agentschap het advies van het (of de) Schepencollege(s) van de gemeente(n) gelegen in een straal van 500 meter rond de betrokken inrichting. In deze gemeente(n) wordt een openbaar onderzoek georganiseerd.
Indien de inrichting een belangrijke milieuimpact (nabijheid van de grenzen.) kan hebben voor de buurlanden, dan moeten die landen geraadpleegd worden (artikel 7.3.2).
Klasse I
De oprichtings- en exploitatievergunning voor een inrichting behorend tot deze klasse, kan alleen via koninklijk besluit verleend worden (artikel 6). De Wetenschappelijke Raad, waarvan de samenstelling bij koninklijk besluit wordt vastgelegd , beoordeelt het aanvraagdossier.
Een milieueffectbeoordeling, waarvan de inhoud conform dient te zijn aan de Europese aanbevelingen terzake, maakt deel uit van het aanvraagdossier. In de gevallen voorzien bij artikel 37 van het Euratom- verdrag wordt het advies van de Europese Commissie gevraagd.
Het advies van het (of de) Schepencollege(s) van de gemeente(n) gelegen in een straal van 5 km rond de betrokken inrichting wordt gevraagd en een openbaar onderzoek wordt in die gemeente(n) georganiseerd.
De Bestendige Deputatie van de betrokken Provincie wordt geraadpleegd.
Beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen aangewend worden
De exploitanten van inrichtingen waar zo'n beroepsactiviteiten plaatsvinden (artikel 4), moeten hiervan aangifte doen bij het Agentschap . Het Agentschap kan bijzondere stralingsbeschermingmaatregelen voor de exploitatie opleggen (artikel 9).
Vergunningsprocedure voor de ontmanteling van installaties
De ontmanteling van installaties, na stopzetting van de activiteiten, moet aan het Agentschap gemeld worden.
Voor de inrichtingen van klasse I en klasse II waar grotere hoeveelheden radioactieve stoffen aangewend worden, wordt de ontmanteling vergund door de overheid die de oprichtings- en exploitatievergunning verleend heeft.
Deze vergunning wordt verleend op basis van een dossier betreffende de modaliteiten van de ontmanteling en van de bestemming van de bronnen, van de besmette materialen en van de vestigingsplaats (artikelen 17 en 18).
Voorwaarden en niveau's voor vrijstelling en vrijgave
In het huidig reglement worden waarden opgenomen inzake vrijstelling van vergunning of melding voor inrichtingen, evenals betreffende de vrijgave van materiaal of materieel afkomstig van vergunde inrichtingen. De corresponderende waarden uitgedrukt in activiteitsconcentraties en/of totale activiteit noemt men respectievelijk vrijstellingsniveau's (bijlage IA) en vrijgaveniveau's (bijlage IB). Deze waarden zijn conform aan de in de Europese richtlijnen/aanbevelingen vermelde waarden.
De vrijgaveniveau's in bijlage IB zijn evenwel niet van toepassing op de nucliden met een halveringstijd van minder dan 6 maanden en op de natuurlijke nucliden.
Voor vrijgave van afval afkomstig van de ontmanteling van nucleaire installaties of van het uitoefenen van beroepsactiviteiten waarbij natuurlijke stralingsbronnen worden aangewend, is steeds een toelating van het Agentschap vereist (artikel 35.2 en 18).
Aan het vrijgaveproces zijn een aantal voorwaarden gekoppeld die in het reglement zijn opgenomen (artikelen 18 en 35, evenals bijlage I B).
Alle vragen om inlichtingen betreffende ingedeelde inrichtingen kunnen gestuurd worden naar volgend adres meldpunt@fanc.fgov.be


Terug naar boven
